|
Historische kroniek van een Neerpeltse straat uit de
duizend
Auteur: Lvpk.
Afl. 5 - O welig dorp!
.jpg)
Na de eerste grote oorlog kende ook ons dorp een flinke geboortegroei zodat de oude jongensschool snel te klein werd voor al dat jonge
geweld. Er kwam nieuwbouw langs de Kanaalstraat: een laag gebouw met puntgevels en duiventillen op de
hoeken: ”Opvoeding en Onderwijs”. Toen we naar het tweede leerjaar mochten was die nieuwbouw nog niet
klaar. We kregen les (en ook straf) van meester Theuwis in een noodlokaal, een oud gebouw van de vroegere dorpsbrouwerij in de Kerkstraat.
Terug naar huis gaan na de school was dan telkens weer een blijde terugkeer in de
heimat. Want onze straat was een hechte gemeenschap van goede buren en je kon er alles vinden wat nodig was om sober en goed te leven.
Een laag gebouw met puntgevels en
duiventillen op de hoeken...
Vooraan op de hoek was er de hoeden- en klakkenwinkel van Kirsch en aan de overkant de Sint-Jozef met ijzerwaren en huis-en-tuingerief van Stanske
Oben. Je liep er verder langs stoffenwinkel, kleermaker,
potten-en-pannenwinkel, loodgieter en bakker tot aan de jongensschool. Daar kwam je voorbij de snoepwinkel en
kolenhandel, de radmaker, de verver, de smid, langs de houtzagerij, de
schoenmaker, de slagerij van Toontje en de schrijnwerkerij van Pier. En verder nog het wagenpark van wegenbouw Martin en de tabakswinkel van Gust met een mooi reclamepaneel op de zijgevel, waar een stoere negerkop op prijkte met drie sigaretten tussen zijn witte tanden.
Voor melk en boter en patatten gingen we de boer op aan de overkant van het kanaal en eieren had je aan huis want bij elke woning hoorde een neerhof met kippen en dikwijls ook ganzen en kalkoenen.
Elke week kwam er het karretje van Netje Vis met haring, bokking, stokvis en schelvis en nu en dan liep er een leurder door de straat met een grote zak op de voorste pakdrager van zijn fiets,
luid roepend ”mosselen…gernoot”! Op zaterdagen kwam de bierkar langs en de
petroleumkar: een tonwagen met bovenop een grote koperen bel die luid klonk tot in de huizen zodat we de petrolkan op tijd konden buiten zetten.
We hadden zeker geen weelde: ’s morgens spek met roggebrood, ’s middags patatten met “joen sauws” en een half eitje en ’s avonds
botermelkpap. Alleen ’s zondags kwam er vlees op tafel en ’s vrijdags
”ne gebraoie bukkem” of wat stokvis. Veel gezinnen hadden het moeilijk om rond te komen met het karige loon van vader
sigarenmaker, koolputter, handlanger of arbeider in de fabriek. De kleine boeren gingen bijverdienen met zwaar en ongezond werk aan de zinkoven maar de moeders bleven thuis bij hun talrijke kroost en zorgden voor het
vee: een koe maar meestal slechts een paar geiten of schapen. Wie geen werk vond had geen inkomen en vooral weduwen met kinderen leefden
in grote armoede.
terug naar Poermenneke
|