Uw dagelijkse informatiebron met nieuws, advertenties en berichten uit Neerpelt of over Neerpeltenaren

 

 DE KANAALSTRAAT

 

 
 

Historische kroniek van een Neerpeltse straat uit de duizend

Auteur: Lvpk.

 

Afl. 6 - Het fundament

 

 

  In dit ’lied van toen’ over de Kanaalstraat komen er naast vrolijke, heel wat ernstige en droevige deuntjes voor. ’s Winters, wanneer er plagen van besmettelijke kinderziekten woedden, waren er dikwijls dagen en weken van veel verdriet. Dan gingen we om half acht ‘s morgens naar de engelenmis in de kerk voor de begrafenis van soms meer dan één overleden kindje.
  In die tijd waren er nog geen inentingen behalve de pokinenting. Scapulier en gewijde medailles moesten ons tegen ziekten beschermen. Als we toch ziek werden kregen we in bed een koortsmeter onder de oksel en moeder legde een kruikje warm water of een warm strijkijzer aan onze voeten. We moesten hete lindethee drinken en vliersiroop tegen de hoest en bij keelpijn blies vader door een rieten strootje fijn zwart poeder met een scherpe muntsmaak diep in ons keelgat. Als er kroep of roodvonk of kinkhoest heerste kwamen er quarantainemaatregelen. We mochten dan niet meer gaan spelen met de vriendjes uit de buurt en als de epidemie te erg was werden de scholen gesloten.
  Er was geen ziekenhuis en geen kraamkliniek in onze Kempen. Geboren worden en sterven deed je thuis. Het was een treurige belevenis als de pastoor of de kapelaan in witte superplie voor een berechting door de straat kwam. Voorop de misdienaar met brandende koperen ziekenlantaarn en grote bel, die regelmatig met korte tussenpozen een of twee slagen luidde… en voor wie zou het zijn...?
  Ons jonge bestaan verliep als een schouwtoneel van drie in elkaar passende luiken. Het eerste speelde thuis in de Kanaalstraat, een ander in de school en het derde in en rond de kerk. Uit elk van die bedrijven kreeg je een merkteken mee voor gans het leven.

 

Het derde was zeker niet het minst fundamentele. Dat begon al op je derde levensdag. De wijsvrouw of een bevriende buurvrouw droeg de boreling vergezeld van peter en meter naar de kerk ten doop. De weg terug duurde lang en na de eerste pinten in de cafés rond de toren volgden er nog. De stoet stapte naar de toog en legde de pasgedoopte op het biljart… en soms was het gezelschap al twee cafés verder… zonder de kleine! 
  En dan thuis: wijwater, kruisteken en weesgegroetjes en moeder die met het mes het verse brood zegende vóór ze de eerste boterham sneed.
  Vanaf de kleuterklas mocht je mee in de sacramentsprocessie. Soeur Jeanne-Elise, de kleuterleidster, maakte haar keuze: als je lang krulhaar had werd je als sint-janneke gekleed in wolbehaarde schapenhuid en stapte je in de processie met een lange staf en wimpel.Om jezuke te zijn moest je donker sluikhaar hebben en kreeg je een kleine wereldbol in je pollen. Apostel worden kon ook. Een stoet van twaalf aposteltjes in rode misdienaarstenue. Elke apostel droeg zijn kenteken: Petrus had de grote sleutels van de hemelpoort vast en Andreas liep er wat onhandig bij met zijn schuine sint-andrieskruis.
  Op zon- en feestdagen was er altijd veel volk in de hoogmis. Achteraan in de kerk liep er dan een merkwaardig figuur mooi in livrei met steek en staf tussen de kerkgangers: de suisse die voor orde en rust moest zorgen.
  Tja… die tijd van toen! Verdwenen is de suisse en weg is de processie… en waar zijn toch al die vrome kerkgangers gebleven??

                                                                            Lvpk
(wordt vervolgd)

 

terug naar Poermenneke