Uw dagelijkse informatiebron met nieuws, advertenties en berichten uit Neerpelt of over Neerpeltenaren

 

 DE KANAALSTRAAT

 
 

Historische kroniek van een Neerpeltse straat uit de duizend

Auteur: Lvpk.

 

Afl. 7 - Tjoektjoek

 

 
In de vroege lentedagen of in de late zomer kon je hem tegenkomen, mooi uitgedost in brede donkere broek met smalle pijpen en open hemd met wijde mouwen en op zijn getaande berberkop een bordeauxrode fez waaraan zwart het kwastje hing te zwieren.
Zijn linkerschouder een kleine bazaar vol tapijtjes, zo stapte hij schuin voorover gebogen door de straat en belde aan bij elke woning. Waar de deur openging lag de gang of de voorkamer in de kortste keren vol met fleurige blinkende karpetten, die hij dan één voor één opraapte om ze aan en weer af te prijzen, tot het laatste tapijtje dat langer bleef liggen en dat hij uiteindelijk als een ‘formidabel gunstkoopje’ wilde achterlaten. De tjoektjoek!
 In onze jonge jaren durfden we hem slechts op afstand volgen. Het was zo'n rare vreemde vogel in onze straat en meestal liepen we hem een eind voorop:’De tjoektjoek is daar!’.
De scharenslijper maakte ook tweemaal per jaar zijn ronde, maar van hem hadden we veel minder schrik. We liepen spelend en ravottend rond zijn karretje en zongen van ”schèresliéép… schèresliéép” tot hij ons sakkerend - ‘snotjung!’ - wegjoeg.
De voddenman met zijn platte ponywagen, die ook oud ijzer opkocht, was nog zo'n typische van-deur-tot-deur-figuur.
De Platte! Wat hij meenam moest eerst gewogen worden. Hij haalde dan een antieke punjer (ponder) te voorschijn en hing de voddenzak aan de haak, onder waakzaam toezien van moeder de huisvrouw. Of die trekveer niet verroest was? En is die schaal wel juist?
Oud ijzer werd niet gewogen. Daar kwam zelden de unster bij te pas. Vooraf werd gemarchandeerd over de prijs per kilo en het gewicht werd geschat, maar meestal gaf moeder het boeltje mee voor een habbekrats, blij dat ze er van af was.    
Het levendigste beeld uit mijn herinneringen aan figuren uit de Kanaalstraat van toen is dat van de afzwaaiende soldaten. Op welke dag van de week weet ik niet meer, maar het was dan altijd zomers dorstig mooi weer en zelden op zondag. Van achteraan in de Kanaalstraat kon je ze al horen als ze bij den Tup buitenkwamen of de bocht namen. Te voet, soms met de fiets aan de hand, zelden in groep, soms getweeën gearmd maar meestal alleen, op korte afstand gevolgd door een andere kwamen ze zingend de straat in gezwierd. "En we zijn er van de klas en we drinken nog e glazeke… terwijl die arme schachten aan ’t patatten jassen zijn… vergeten wij den troep en die droevige daaàgen… we roepen allen gelijk… smeerlappen ge zijt ons kwijt!" Het meestal rode maar soms ook gele of witte kwastje vóór aan hun muts, ’de floche’, zwaaide lustig mee op en neer.
En dan verdwenen ze struikelend in de volgende herberg.
                                                                    Lvpk.
(wordt vervolgd)