|
Historische kroniek van een Neerpeltse straat uit de
duizend
Auteur: Lvpk.
Afl. 9 - Het bad

Op zonnewarme zomerdagen is het heerlijk liggen soezen in het mulle zand tegen de zuidgevel van ons huis. Je bent er nooit alleen, ook niet als je speelkameraadjes er niet bij zijn.Vliegen zitten roerloos zich te koesteren op de warme grijze gevelstenen en de zwaluwen vliegen kwetterend af en aan naar hun jongen onder de dakrand.
De vakantie begon pas op 1 augustus. Neefjes en nichten uit de stad zijn afgekomen voor de ‘zuivere lucht van de buiten’. De sneltrein van Antwerpen naar Mönchengladbach laadt vakantiegasten af in Neerpelt voor Hotel de la Poste in de Groenstraat en voor de hotels van de Stationsstraat.
Op warme namiddagen mogen we onder begeleiding van het oudste nichtje naar de zandberg. Langs de veldweg stappen we voorbij het huis Voets en daarna rechts door de modderige karrenweg tussen de oude lage boerderij en het hoge vierkanten blokhuis, verder langs de wei waar nog de schietboom van de vroegere schutterij staat tot beneden aan de kanaaldijk. Over de Dommelduiker langs het kabbelend vergiftigd beekje, aan brug acht linksom de Bergeykse Dijk op. Voorbij het geheimzinnige “iezeren hoeès” komen we aan de zandberg. Ravotten, putjes graven, zandkastelen bouwen, piepke bergen, peperkoek en limonade en daarna door de zompige wei naar de Dommel pootje baden.
Terug thuis moeten we het bad in. Een grote ronde houten kuip, de helft van een middendoor gezaagde wijnton. Het vulgat in de bodem is dichtgeslagen met een houten spon die geklemd zit met een linnen
doekje. Als je daar een beetje aan frunnikt komt de spon los en drijft het badwater over de verandavloer. Op zaterdagen in de winter staat de badkuip in de keuken voor de zwarte cuisinière lekker warm. Heerlijk badhalfuurtje behalve dat laatste bedrijf, als er bij het hoofdwassen zeepsop in je ogen loopt.
Na het laatste kleuterjaar moeten mijn lange sint-jannekeskrullen eraf. Vader rijdt me op zijn fiets naar de kapperszaak van Fonske de coiffeur in de Lion d’or in de Stationsstraat. Bijna kaalgeschoren tot groot verdriet van moeder. ”Nu ben je een echte jongen!”
Vanaf toen is het badritueel op zomerse zaterdagen gans anders geworden. Vader en
pa (de roepnaam van onze oom) en ik. Per fiets brug zeven over, op de stang bij va of pa. Door de Volmolenstraat naar de Bergeykse Dijk langs de populieren van de watering over het hobbelig paadje voorbij Balis’ koel met de bruine lisdodden, door de Tussen tot aan de plaats die we ‘de drie bruggen’ noemen. Daar stroomt de afvoersloot van de vloeiweiden naar de nabijgelegen Dommel. Waar de sloot de weg kruist is de bedding uitgediept en gemetseld. Alleen tijdens de hooioogst ligt er een houten brug op. Dat is onze zomerse
badkuip: schitterend helder ijskoud water, warme moeraslucht vol muggen en dazen en boven ons in de populieren de wielewaal die spottend fluit van
”bieten de boeren hun vleui oech?”.
terug naar Poermenneke
|