In het café zit een man wezenloos voor zich uit te kijken. Zijn koffie heeft hij half opgedronken. Het lijkt alsof zijn gemoed ook maar voor de helft gevuld is.
De kastelein ziet me naar hem kijken. “Misschien vertelt hij het nog eens”, fluistert hij. Het klinkt alsof de man het verhaal ononderbroken heeft verteld.
“Ik had het niet gezien”, zegt de man. De cafébaas droogt zijn handen aan een handdoek en gebaart van ‘even te wachten, de rest komt wel.’
De man neemt nog een slokje en gaat verder. “Haal je mijn broek bij de naaister?, vroeg ze. Hier is het bonnetje. Wat kan er fout lopen? Ik deed wat me gevraagd werd. Ik breng het tasje mee naar huis en leg het in de keuken. Een perfecte avond, zo leek het. Maar dan, na het avondeten. Ze neemt het tasje en haalt de broek eruit. Ik zie ze kijken. Ze draait de broek drie keer om. Ze kijkt me aan alsof ik een dictator ben die het leven van de helft van zijn bevolking op zijn geweten heeft. Zie je het niet?’, riep ze. Dat is mijn broek niet. Zie je niet hoe groot die is. Daar ga ik drie keer in.
“Ze moet het in mijn ogen hebben gezien. Maar ik dacht het alleen maar. Nee, ik ga verdomd niet rechtstaan. Dat je zoiets nog maar durft denken.”
De man denkt even na. “De naaister heeft die broek wellicht getoond, maar ik was er niet met mijn gedachten bij. Ze heeft zich wellicht van bonnetje vergist.”
“Thuis zou het enkel beeld en geen klank zijn. Dan maar naar hier.”
Hij kijkt me aan. Nog steeds met diezelfde lege blik. Ik besluit om te zwijgen. Misschien is de klank van de cafébaas die de glazen spoelt al genoeg.
Rudi Lavreysen