Jarenlang heb ik tijdens de middagpauze in PROVIL, of na de lestijd in het EYMARD- instituut, geïnteresseerde leerlingen bezig gehouden met een uurtje dictie en voordracht. Een heerlijke tijd!
We namen ook deel aan voordrachtwedstrijden en het was een stukje van Annie M. G. Schmidt waarmee een leerlinge van me – ik denk dat het in Peer was – tot mijn grote trots de eerste prijs in de wacht sleepte.
De eerste strofe gaat als volgt:
Aan een klein meisje
Dit is het land, waar grote mensen wonen. Je hoeft er nog niet in: het is er boos. Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen, en altijd is er weer wat anders loos.
Het mag vreemd lijken, maar toen we deze week de laatste rustplaatsen van onze ouders, vrienden en familieleden wilden bezoeken, begon dat versje door mijn hoofd te spoken.
Mensen lijken er tegenwoordig nochtans alles aan te doen om onze kerkhoven er kleurrijk en levendig te laten uitzien. Lovenswaardig hoor! Het lijkt zelfs feestelijk. Van ver toch. En verbaasd had ik onwillekeurig bijna luidop de zeer ongepaste woorden ‘Kerkhoven Kermis’ uitgesproken.
De bonte kleuren van het decor zullen teveel geweest zijn voor mijn beperkt bevattingsvermogen. Ik had het grootste deel van de dag namelijk voor de zoveelste keer doorgebracht in een onderzoekskamer en daarna op een scantafel in het U.Z. in Gasthuisberg. En een kerkhof was nu niet meteen de meest geschikte plaats om de dag te beëindigen. Ach ja, in deze tijd van het jaar hoor je nu eenmaal te tonen dat je je overleden vrienden en familieleden niet vergeten bent. En op Allerheiligen- of Allerzielendag is het er altijd zo druk. Beter vandaag maar, dus.
In diepe gedachten verzonken stelde ik vast dat ik voor een kleine wand, tegen de bosrand van het kerkhof stond, met daarop een naamplaatje van mijn schoonbroer en zus. “Dag Jan”, hoorde ik mezelf zeggen. En “Dag Jet”. Vorig jaar rond deze tijd was ze hier zelf nog.
Toen ik me bij het graf van mijn ouders omkeerde om naar huis te gaan, leek het me of de foto van mijn moeder bewoog. Met een ruk draaide ik mijn hoofd. Nee hoor, alles was natuurlijk zoals voorheen. Volkomen onbeweeglijk. Voor eeuwig.
“Binnenkort verblijf jij hier zelf ook”, dacht ik, terwijl ik met mijn vrouw bij de foto van haar vader stond. “Dag Jan”, zei ik nog. Juliennes vader heette ook Jan.
Aan de poort was het net of ik toch weer mijn moeder zag. En ik hoorde absoluut haar stem! Het waren de licht aangepaste laatste regels van dat gedicht van Annie M.G. Schmidt:
Een bos is hier alleen maar een boel bomen en de soldaten zijn niet meer van tin. Dit is het land waar dode mensen wonen … Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.
Chel Driesen