Begin 2026 ontvingen 60.385 personen in het Vlaamse Gewest een leefloon of equivalent leefloon. Het ging om 46.902 personen met een leefloon en 13.483 personen met een equivalent leefloon.
Het leefloon is een minimuminkomen voor mensen die niet over voldoende bestaansmiddelen beschikken. Het equivalent leefloon is een minimuminkomen voor mensen die niet in aanmerking komen voor het leefloon maar die zich in een vergelijkbare noodsituatie bevinden.
In de praktijk wordt het equivalent leefloon vooral uitgekeerd aan personen die een verzoek hebben ingediend voor internationale bescherming (asielzoekers) en personen met buitenlandse nationaliteit die niet in het bevolkingsregister zijn ingeschreven.
Het aantal personen met een leefloon kende in de periode 2008-2026 een grillig, meestal stijgend verloop. In 2022 was er een daling met 6%. In 2023, 2024, 2025 en 2026 was er opnieuw een stijging met respectievelijk 4%, 9%, 7% en 3%.
Het aantal personen met een equivalent leefloon kende tussen 2008 en 2017 eveneens een grillig, maar dalend verloop. Tussen 2017 en 2022 bleef dat aantal min of meer constant. In 2023 zorgde onder meer de oorlog in Oekraïne voor een verdrievoudiging van het aantal personen met een equivalent leefloon. In 2024, 2025 en 2026 nam het aantal geleidelijk weer af met respectievelijk 7%, 2% en 5%.
Er zijn iets meer mannen dan vrouwen met een leefloon in het Vlaamse Gewest. In 2026 ging het om 52% mannen en 48% vrouwen. Bij het equivalent leefloon zijn er meer vrouwen (64%) dan mannen (36%). Over beide stelsels samen gaat het om 52% vrouwen tegenover 48% mannen.
Het aantal (equivalent) leefloners neemt af met de leeftijd: er zijn meer jongeren dan ouderen met een (equivalent) leefloon. Wel is er een vrij hoog aandeel 65-plussers in het totaal aantal personen met een equivalent leefloon (19%). Dat hangt samen met het feit dat niet-Belgen geen recht hebben op de inkomensgarantie voor ouderen (IGO). Daarom kunnen zij ook als 65-plusser nog gebruik blijven maken van een equivalent leefloon.
Er zijn in 2026 bij de personen met een leefloon meer alleenstaanden (40%) dan personen met een gezin ten laste (31%) of samenwonenden (29%). Bij het equivalent leefloon vormen de samenwonenden (42%) de grootste groep.