Een kleine maand geleden ben ik verhuisd. Wat daar nu zo bijzonder aan is, zult u zich waarschijnlijk afvragen. Niks eigenlijk. Maar ik had de impact ervan op mijn gewone levenswandel ernstig onderschat. Zo ben ik in mijn nieuwe woning dagelijks nog steeds uren op zoek naar spullen die ik vroeger blindelings wist te grijpen. Tangen, schroevendraaiers, inbussleutels en die ene doos met steenboren die ik nog wel speciaal ergens op een schap gezet had. “Hier zitten ze nu allemaal samen”, had ik nog gedacht. “Hier kan ik ze zeker altijd terugvinden.”
Kunt u zich voorstellen hoeveel vreselijke vloeken er regelmatig ten hemel schreien van dit adres in het Adelbergpark? Ik ben immers een volkomen chaotische zoeker en een absoluut waardeloze vinder.
En realiseert u zich wel over hoeveel afstandsbedieningen een doordeweekse burger van dit land beschikt? Ik telde negen stuks: één voor elk radiotoestel, twee voor elke televisie – ja, er staat ook een kleintje op de slaapkamer – want ook voor de kabelmaatschappijen heb je er eentje vandoen. En dan ligt er een op de vensterbank voor de bediening van de rolluiken en – meestal – op mijn schrijftafel een kleintje waarmee ik het toestelletje voor de bijverwarming activeer. Ik ben namelijk een van die types die lijden aan het ‘koude-voeten-syndroom”. En, je gelooft het niet, een deel van de functies van dat ding reageert alleen maar via de ‘remote control’. Een deel! Sommige toetsen moet je op het ding zelf indrukken, de andere op het permanent onvindbare ‘kaske’! Je hoeft toch echt niet Trump te heten om gevaarlijk zot te worden.
Ik heb net mijn favoriete radio een definitieve plaats bezorgd op de kast naast mijn bureau. Ik hou van dat apparaat. Het heeft, zijn leeftijd en geringe afmetingen ten spijt, zulke mooie volle bastonen. Daar kan ik zo van genieten. Ik hou helemaal niet van dat schelle geschetter dat andere toetellen de kamer in gooien. Voilà, hier staat het mooi. Even de antennedraad in de juiste positie plaatsen, diep inademen en de aan/uit-toets verwachtingsvol indrukken.
Ergens in Brussel zit een dame achter de microfoon. Zo’n wokemie (klemtoon op mie) neem ik aan. Ze klaagt haar nood over het hemeltergende onbegrip dat ze overal ontmoet in haar strijd voor de gelijkberechtiging van vrouwen in deze maatschappij. “Je loopt overal tegen een muur op”, zei ze met veel gevoel voor symboliek. En dan, met een wanhoop voorstellende zucht, “Het lijkt wel dweilen tegen de bierkaai”. Ik verzin het echt niet, hoor!
“Arm mens”, hoorde ik mezelf zeggen. “Dit is toch echt wel vechten met de kraan open.”---
Ik zet de radio maar weer uit. Stille waters zijn ook nat.
Chel Driesen