Hij moet wel verrast geweest zijn door het onthutste gezicht dat ik trok. Ik zat aan mijn ‘vaste tafel’ in De Kroon (hoewel, geen enkele tafel staat daar stabiel) en had net een blad van mijn krant omgeslagen. Een uitgebreid artikel over het Nederlandse cruiseschip Hondius had mijn volledige concentratie gevergd. En als ik iets aandachtig lees, vergeet ik meestal de wereld rondom mij volkomen. Het hantavirus, waartegen geen verweer bestaat, had er al drie mensenlevens geëist en er waren nog minstens twee besmettingen vastgesteld. Het virus wordt, voor zover bekend, verspreid door ongedierte: ratten en muizen dus. Kunnen ze dan niet een paar honden en katten houden daar op die boot, dacht ik nog. Hij heet nog wel Hondius!
Voorlopig dobbert het schip wat rond op de Atlantische Oceaan. Niemand mag eraf. Zit er maar op, op zo’n schuit! Ver van mijn bed, hoor ik je luidop denken. Zal ik je dan eens wat vertellen? Mijn vrouw en haar beste vriendin varen momenteel ook op zo’n drijvende stad ergens op diezelfde Atlantische Oceaan tussen Bermuda en de Azoren! Vandaag komen ze terug. Maar ik las dat zelfs passagiers die geen symptomen vertonen bij hun terugkomst nog een tijdje in quarantaine moeten. Je zou toch voor minder in paniek geraken!
Maar waar waren we gebleven? Jos was dus net binnengekomen, in De Kroon. “Ik moest van mijn vrouw naar de supermarkt”, zei hij. “En ik heb de hele gang met dierenvoeding afgezocht, maar denk je dat er ook maar iets geschikts te vinden is voor onze Winston?” Zo heette zijn hond, bleek al gauw. En dat beest, zo beweerde hij met een doodernstig gezicht, was veganist. Nu jij weer! Wij weten natuurlijk wel dat een vegetariër iemand is die geen vlees eet en zo’n hond kan ik me niet eens voorstellen, maar een veganist! Veganisten gebruiken immers hoegenaamd geen dierlijke producten. Ook geen zuivel, honing of eieren dus. En het blijft niet bij voedsel. Wollen kleren dragen ze bijvoorbeeld evenmin, om maar te zwijgen van bont. En zelfs leren schoeisel wijzen ze resoluut van de hand.
Maar het was dus een grapje, dat van de veganistische hond. Ik dacht terug aan de trouwe viervoeter die we vroeger thuis op de boerderij hadden. Ik weet zeker dat die nooit ook maar één hap uit een winkel voor dierenvoedsel zelfs maar gezien heeft. En dat beestje zag er uitermate gezond uit. Overschotten ja, dat kreeg hij. Bovendien werkte hij voor de kost: hij werkte dagelijks de ‘facteur’ op zijn zenuwen, verjoeg ratten en muizen die zich in de buurt van de schuur waagden en zorgde dat Pierre, onze kater, niet te lang sliep. Als die zich ‘s morgens wat te wellustig bleef rekken op de strobaal in de stal waar ze samen sliepen, sleurde hij er hem onverbiddelijk uit. Ook katers hoorden hun wachttijd te doen, vond hij.
Hij heette – tot ongenoegen van mijn moeder – Rabbi. Mijn vader had hem die naam toebedeeld nadat hij een priester tijdens het sermoen in de zondagsmis bezig gehoord had over de apostelen, geloof ik, die hun meester aanspraken met ‘rabbi’. Heiligschennis vond mijn moeder dat.
De telefoon gaat. Mijn vrouw zal terug zijn. Waar is mijn steriele witte overall?
Chel Driesen