Daar lag ik dan midden op straat aan het Marktplein van Neerpelt… Wel meteen in stabiele zijligging, dat viel dan weer mee. Eigenlijk was het de best mogelijke manier om vanop de fiets tegen de grond te worden gekatapulteerd. De straatstenen waren best hard, dat viel dan weer tegen. Zo gaat dat nu eenmaal met vallen: je hebt liefst wat geluk bij een ongeluk, maar het blijft toch een ongeluk.
Zondagmiddag was het wegdek nat en glad en aan de rand van de straat op het marktplein is er een richeltje van hooguit twee centimeter, maar dat kleine niveauverschil zorgde ervoor dat mijn trouwe tweewieler en ik niet meer op hetzelfde spoor zaten. We waren met zijn tweeën in de goot beland en wilden terug de straat op. Alleen kon de voorste band daar vanwege de vochtigheidsgraad niet mee akkoord gaan. Hij wist het wiel hiervan te overtuigen en die bracht op zijn beurt het stuur op de hoogte. Zo waren er genoeg dwarsliggers. De gevolgen zijn bekend.
Vallen is raar. Het gebeurt allemaal erg snel, maar er speelt zich zo veel af in je hoofd dat het toch een heel verhaal lijkt, alsof je het in slow motion beleeft. Bij de analyse achteraf meen ik een splitsing tussen gevoel en verstand waar te nemen. Op een bepaald punt net voor de val komen twee zaken samen die totaal verschillend zijn. Terwijl je langs de ene kant het gevoel hebt dat je verdoofd wordt alsof je strontzat bent na een nachtje stappen, werken de hersenen op datzelfde moment uiterst efficiënt. Ze maken een razendsnelle inschatting van de situatie en berekenen stante pede hoe je dadelijk op de best mogelijke manier kennis kan maken met jouw nakende landingsplek. Met wat geluk kunnen je ledematen zich dan net op tijd naar die ideale positie richten. En anders: nog meer pech gehad.
Verdwaasd en verbaasd blijf je achter. Even moet je terugkomen in het hier en nu om tot het besef te komen wat er aan de hand is. En dan kom je bij het volgende punt: vallen is gênant en je wilt niet ook nog eens opvallen. Dus je veert zo snel mogelijk recht en probeert omstaanders te sussen met: “Jaja, het gaat wel.” Maar daar ben je eigenlijk zelf niet zo zeker van.
Met een doorweekte broek, waar net ook nog een nieuw gat in geslagen is, stap je verder. Ook je trouwe partner, komt er niet ongeschonden uit. Eerst moet je het stuur terugdraaien en de ketting erop leggen en de schade opmeten. En dan kan je verder. De ene met een gevleugeld wiel en de andere met een mooie Picasso-in-zijn-donkerblauwe-periode op de linker heup.
Maar meer samen dan ooit: mijn fiets en ik. Ik breng je met alle plezier naar de fietsenmaker en dan kunnen meteen ook je remmen, lichten, spatbord… vervangen worden.
Ons krijgen ze niet onderuit.
Jan Verheyen