Ik heb de uit de mode geraakte gewoonte om broekspelden te dragen als ik fiets met een lange broek. Met die broekspelden kan ik mijn wapperende broekspijpen aan banden leggen. Ik ben wat dat betreft een zonderling want dit oubollige gedoe is in het straatbeeld niet meer te zien. Vroeger was het voor de fietsende man onontbeerlijk om broekspelden te dragen om de broek voor vervuiling te behoeden tegen bijvoorbeeld kettingolie.
Omdat ik deze ouderwetse gewoonte niet volledig in het vergeethoekje wil duwen, heb ik mij de afgelopen tijd suf gepiekerd om een nieuwe naam te verzinnen voor dit fietshulpmiddel. Enkele dagen geleden mocht ik “eureka” roepen , want ik had het gevonden. Voortaan noem ik het attribuut een pijpknijper. Ik hoef niet meer uit te leggen wat dat is. Het spreekt voor zich. Het dragen van de pijpknijpers zorgde wel voor een vreemde situatie telkens ik ergens binnen trad. Eerst keken ze naar mijn gezicht om te zien welk vlees ze in de kuip hadden maar vrijwel meteen gleed hun blik naar beneden , naar mijn pijpknijpers met de grote vraag op hun gezicht geschilderd: “Wat is dat?”. Ik zou mezelf niet zijn mocht ik daar geen grap bij verzinnen. Dus kwam ik met het verhaal dat deze pijpknijpers het allernieuwste model waren van de enkelbanden van justitie. Ik zei er maar meteen bij dat ik een blanco strafregister had en enkel als tester in actie was. Je kan nooit duidelijk genoeg zijn want mensen gaan gauw fantaseren als het over enkelbanden gaat. “Dan weten ze tocht altijd waar je bent”, opperde iemand terecht. “Je ligt onder de sloef”, aldus een andere kenner. Mijn antwoord is daar zeer helder in :”Wie op een slimme manier eens onder de sloef ligt, kan daar later zijn profijt mee doen.” Dat is in het dagelijkse leven ook zo.
(Martin Vanierschot)