Toen ik een jaar of twintig was en voor het eerst met een rugzak de wijde wereld introk, kreeg ik van een lieve, oude dame een bedeltje. “Ne Sint Christoffel, veur ’n hoei voyage,” zei ze er in het schoon West-Vlaams bij. Ik had nooit zoveel met heiligen en relikwieën, maar toch hield ik het op mijn reizen altijd goed bij me. Niet omdat ik er magische of religieuze krachten aan toedicht, maar toch. Het voelt een beetje veiliger, alsof je een onzichtbaar lijntje hebt met iets of iemand die je beschermt.
De een draagt een ketting met een kruisje, de ander een talisman met een teken of tand van een of ander dier. Er zijn er die een konijnenpoot aan hun sleutelbos hebben bungelen. We houden ons blijkbaar graag vast aan iets tastbaars. Magisch denken, heet dat. Als je dacht dat we de heidense rituelen al eeuwen achter ons hadden gelaten, of zoiets eerder associëren met andere volkeren, heb je het mis. We blazen verjaardagskaarsjes uit. Dan mag je een wens doen. Een vallende ster wil ook nog wel eens helpen. Een spiegel breken staat voor zeven jaar slechte seks. Andere scherven brengen dan weer geluk. We kloppen af op hout. Er zijn sporters die een geluksonderbroek dragen. Allemaal om te proberen het onafwendbare af te wenden. Alles om Fortuna gunstig te stemmen.
Tot je ontdekt dat het in feite net zo is als het pluimpje van Dumbo, de vliegende olifant. Hij dacht dat veertje nodig te hebben om te kunnen vliegen, tot het op een dag weg fladderde en hij het ook zonder bleek te kunnen. En toch, en toch,… We houden ons zo graag vast aan dat bedeltje, die steen, dat kleine ritueel om -al is het maar illusie- net iets minder bang te zijn. “Veur ’n hoei voyage.”
Claudia Nieuwenhuizen