Eerlijk, ik heb nooit begrepen wat mensen zo prettig vinden aan het afsteken van knallend vuurwerk. Neen, ook niet toen ik zelf nog een puber was.
Is het de drang naar luide knallen, is het een soort sadistisch genoegen om dieren doodsbang te maken? Of is het gewoon het moment van extase dat sommige mensen beleven aan het in gevaar brengen van zichzelf en daar, na een knal en wat flitsen, aan te ontsnappen? Zo van “Oef, dat heb ik weer overleefd”?
Overdrijf ik? Er vallen toch elk jaar weer doden bij! En hoeveel – meestal jongeren – houden er een verminkte hand of/en een beschadigd zicht en gehoor aan over? En dan heb ik het niet over die afschuwelijke ramp in Zwitserland waar ergens in Crans-Montana op elkaar gepakte mensen niet alleen het oude met het nieuwe jaar wisselden, maar ook het tijdelijke met het eeuwige. Momenteel staat de teller van de dodentol op 40. Veertig mensen – and counting – die levend verbrandden of stikten. In Zwitserland of all places, dat in heel de wereld bekend staat om zijn mierenneukerij wat precisie betreft! Eén uitgang was er daar beneden in ‘La Constellation’, via een smalle trap! Het gevolg? De brandwondencentra van half Europa liggen vol levenslang verminkte jonge mensen die – gelukkig voor hen – nog niet eens beseffen wat voor een jarenlange ellende ze te wachten staat.
Nee – het spijt me dat ik cynisch word – dan gaat het bij ons allemaal toch heel wat beter! Hier blijft het bij een paar doden in Nederland, politiemensen die het moesten afleggen tegen elfjarige met indrukwekkende vuurpijlen gewapende snotapen, brandweerlui die zich doodsbenauwd uit de voeten haastten en wat bushokjes die vakkundig tot ontploffing gebracht werden. En voor wie niet wist hoe hij/zij dat het best kon aanpakken waren er op facebook leerrijke instructiefilmpjes te zien. Wow! Je moest ze omhoog zien vliegen, die hokjes! Dolle pret, jongen!
Nee – en ik realiseer me dat ik nu weer als een oude zeurpiet ga klinken – dat kenden wij vroeger allemaal niet. Wij wisten niet eens hoe we aan vuurwerk hadden moeten geraken. Ja, af en toe waren er wel een paar rakkers die hun karig zakgeld besteedden aan wat knalbommetjes. Die kon je in de snoepwinkel van Nel Stroop kopen. Je zette er dan een leeg blik overheen en meestal gebeurde er niks, omdat het vlammetje uitging wegens gebrek aan zuurstof. Ja, heel af en toe klonk er een dof knalletje – mijn tante kon luider hoesten – en dan wipte het blikje wel een centimeter of tien omhoog. En zoals ik al zei: daar ontging me de pret toen al van.
Mijn kameraad vertelde me destijds dat ze bij hem thuis elk jaar wel eens een brandje hadden ook. In de kerstboom hingen ze met een knijper van die kleine vuurpijltjes. Nauwelijks langer dan een lucifer waren ze. En daaroverheen werd ‘engelenhaar’ gedrapeerd. Een leuke combinatie, dat verzekerde hij me. Engelenhaar heette onbrandbaar te zijn. Ammehoela! Er stond altijd een volle emmer water in de buurt.
Ik voel mijn boosheid wat wegebben nu. Ik hoop maar dat ik er niet over droom vannacht.
En o ja, voor ik het vergeet, ik wens jullie allemaal van harte een vreugdevol en gezond 2026.